maandag 23 mei 2011

Leraar 2020 -- een krachtig beroep!

Het langverwachte actieplan leraren van staatssecretaris Zijlstra is uit. Het vervolg op het Actieplan Leerkracht van toenmalig minister Plasterk uit 2007 is 'Leraar 2020--een krachtig beroep!' gedoopt. Laat ik het gelijk toegeven: mijn aanvankelijke scepsis op basis van geluiden uit de wandelgangen was onterecht: ik vind het over het algemeen een goed plan. Het goede eraan vind ik, dat Zijlstra de twee grootste problemen in het onderwijs bovenaan zijn prioriteitenlijst heeft staan: de gebrekkige omgang met kwaliteitsontwikkeling van leraren in scholen (HRM-beleid in het jargon) en de aanhoudend matige prestaties van lerarenopleidingen.

HRM
In april rapporteerde Zijlstra nog dat de meeste scholen nu kwalitatieve criteria gebruiken voor beoordeling van leraren. Dat vond ik toen wat optimistisch. Gelukkig toont hij zich nu een stuk reëler in zijn constatering dat het onderwijs de sector is waar het minst aandacht wordt besteed aan functionerings- en voortgangsgesprekken. En een goede, structurele gesprekscyclus is de basis voor bekwaamheidsonderhoud.
Zijlstra besteedt ook aandacht aan kwaliteit van het leiderschap in het onderwijs. Dat was even taboe, en er werd zelfs op bezuinigd, maar Zijlstra brengt het thema weer terug. Er komen bekwaamheidsprofielen voor schoolleiders in het VO, zoals die er ook zijn voor PO-schoolleiders.

Zelfs de paragraaf over prestatiebeloning is genuanceerder dan ik aanvankelijk vreesde. Dit dossier lijkt een degelijke uitwerking te krijgen. Zijlstra gaat in VO en PO experimenteren met teamgerichte prestatiebeloning,  ondersteund met onderzoek, waarbij hij gebruikmaakt van een scala aan indicatoren, die worden uitgekozen door het veld zelf. 

Lerarenopleidingen
Hoewel Zijlstra de kwaliteit van lerarenopleidingen een kernprobleem vindt, blijven de maatregelen daar beperkt tot vooral meer nadruk op toetsen in de tweedegraads lerarenopleidingen. Zijlstra had wat mij betreft wel wat duidelijker mogen opschrijven dat de lappendeken van lerarenopleidingen in Nederland hard aan vervanging toe is. Nu verstopt hij in een alinea ergens achterin het plan het voornemen om 'sectorplannen' op te stellen die op langere termijn 'samenwerking en taakverdeling' tot stand moeten brengen. Voorlopig blijft het stelsel dus ongewijzigd en gaan we zelfs terug in de tijd met een specialisatie 'jonge kind/oude kind' op de pabo.
Naar mijn idee is juist een integrale visie op het opleiden van leraren nodig, en moet je toe naar meer integratie. Vooral ook omdat Zijlstra's ambitie is om meer academici voor de klas te krijgen.

Die academici komen nu vooral van de eerstegraads opleidingen van de universiteiten, een route richting het onderwijs die voor veel studenten helemaal niet aantrekkelijk is. Daar zou Zijlstra meer aandacht voor mogen hebben, omdat het veel effectiever is om in een vroeg stadium ambitieuze, goede studenten voor het onderwijs te interesseren, dan gaandeweg middelmatige studenten met toetsen tijdens, en cursussen na de opleiding bij te willen spijkeren. Met een initiatief als Eerst de Klas, hoe prachtig dat ook werkt, redt hij het niet alleen.

Leraren beoordelen elkaar?
Veel aandacht is uitgegaan naar Zijlstra's plannen voor 'peer review' waarbij leraren onderling elkaars lessen beoordelen. In de krant wordt de kop dan al snel: 'Leraar controleert leraar'. Terwijl het plan van Zijlstra genuanceerder is. Hij wil juist het gesprek (het 'debat' schrijft hij--ik had voor 'de dialoog' gekozen) in de school over de kwaliteit van het onderwijs op gang brengen. Dat is alleen maar toe te juichen, lijkt mij. Het kan een belangrijke basis vormen onder de verdere ontwikkeling naar het leraarschap als volwaardige professie, omdat het de notie dat 'goed onderwijs' geen vaststaand gegeven is, als uitgangspunt neemt.
Een tweede belangrijke stap op weg naar een echte beroepsgroep is de instelling van een lerarenregister, te beheren door de nieuw op te richten lerarencoöperatie. Een dergelijke coöperatie, die een  organisatie voor leraren uit alle sectoren van het onderwijs wordt, zou een mooie basis kunnen vormen om de lappendeken van lerarenopleidingen uiteindelijk ook aan te passen.

Tot slot
Nog een principieel punt: Zijlstra geeft aan dat zijn doelstelling is dat de overheid zich zo ver mogelijk moet terugtrekken uit het onderwijs. Dat lijkt me een misvatting. In de eerste plaats omdat in de Grondwet staat dat 'onderwijs voorwerp van aanhoudende zorg der regering' is. En in de tweede plaats omdat onderwijs een van de belangrijkste instrumenten is die een overheid heeft om veel andere thema's (werkloosheid, gezondheid, internationale innovatiekracht) te beïnvloeden. Daar moet je bovenop zitten, lijkt mij.

Al met al een nuchter, ambitieus plan van Zijlstra, dat de vinger op de zere plek(ken) in het onderwijs legt. Hiermee heeft hij de klippen van onderwijsideologie en gevestigde belangen weten te omzeilen. Benieuwd of de Tweede Kamer die nuchterheid ook weet op te brengen. En alles komt uiteindelijk aan op uitvoering, dus pas in 2020 zullen we echt weten hoeveel Zijlstra van zijn prioriteitenlijst heeft weten te realiseren.

zaterdag 14 mei 2011

Wetenschappelijke steun voor activerende didactiek?

Het debat over al dan niet ‘vernieuwend’ onderwijs heeft deze maand weer een impuls gekregen met een publicatie in Science (alleen toegang met abonnement). Hierin wordt een experiment beschreven met een groep eerstejaars, die verdeeld werden over twee verschillende lesvormen. De ene groep kreeg les van een ervaren docent, met hoge evaluatiescores voor zijn lessen. De andere groep kreeg les van onervaren docenten, die echter getraind waren in enkele activerende lestechnieken, waarmee ze de studenten veel zelf problemen op lieten lossen met de stof. Wat blijkt? De studenten in de tweede groep komen meer naar college, zijn meer tevreden en halen hogere resultaten.
Hoewel ongetwijfeld van alles op de generaliseerbaarheid van dit resultaat af te dingen valt, vind ik het opmerkelijk dat de charismatische docent het af moet leggen tegen een goed geconstrueerde, afwisselende lessenserie die studenten activeert en zelf laat werken. De status van de ‘bevlogen verhalenverteller’ die moeiteloos hele klassen weet te boeien, brokkelt hiermee wat af. Studenten zijn misschien wel geboeid, maar hebben ze ook wat geleerd? The Economist grapte al dat de ‘onderwijshippies’ achteraf misschien toch gelijk hebben.
Ik denk dat we moeten oppassen nu niet in een welles-nietes discussie terecht te komen. Het idee dat er ‘een beste manier is’ van lesgeven, daar geloof ik niet in. De kunst is voor iedere leraar om zijn of haar eigen experimenten aan te gaan, en na te gaan wat werkt voor deze leerlingen, voor dit vak, in deze les. Dat is iedere keer anders. Hoe je hier op een simpele manier mee aan de slag kunt, beschreef ik eerder in mijn bericht over Dylan Thomas.

dinsdag 3 mei 2011

De professionele cyclus

Voor een nog te verschijnen bijdrage aan het vakblad Opleiding en Ontwikkeling heb ik nog eens nader uitgewerkt wat ik onder 'professionaliteit' versta, als het om het beroep van leraar gaat. Daarvoor heb ik een cyclisch schema getekend, dat ik al vaker in workshops heb gebruikt, maar nog nergens heb gepubliceerd. Ik ben wel benieuwd naar reacties hierop, dus plaats het als voorproefje van het volledige artikel alvast op mijn weblog.

Het schema geeft weer hoe autonomie en verantwoordelijkheid met elkaar verbonden zijn. Doorgaans wordt de autonomie van de leraar min of meer als gegeven beschouwt. Het wordt erg lastig gevonden door collega's en leidinggevenden om een leraar aan te spreken op (vermeend) ongewenst of niet-effectief gedrag. Op die kwestie wil ik met dit schema meer licht schijnen.
Het schema is overigens vormgegeven als een causale lus, een manier van weergeven die is ontleend aan het systeemdenken. Een ander voorbeeld hiervan is dit eerdere bericht.



De professionele cyclus


Het schema bevat relaties in twee kleuren. De ene (blauwe pijl) is een simpele relatie tussen 'opleiding en ervaring' en 'autonomie'. Dit symboliseert hoe we doorgaans redeneren: we zijn toch allemaal goed opgeleid, we hebben de eerste paar jaar als leraar doorstaan, dan moet je toch van een minimumkwaliteit van je collega uit kunnen gaan? Wie ben ik dan om die collega te zeggen dat hij/zij het niet goed doet? En als ik dat doe, dan loop ik het risico dat er ook wat van mijn werk gezegd wordt...
Die overweging is verleidelijk, maar draait naar mijn idee de zaken om. De positie van autonome professional ontleen je niet aan je voltooide opleiding, maar juist aan je vermogen om jezelf te blijven ontwikkelen, met het oog op het leerlingbelang wat je te dienen hebt (je ‘roeping’, waar het woord ‘professie’ aan ontleend is).

De relatie tussen autonomie en professionaliteit ligt volgens mij wat ingewikkelder, wat ik heb geprobeerd weer te geven door de rode pijlen-cyclus. Vanuit de opleiding en ervaring weten professionals dat ze het belang van de cliënt--in het onderwijs is dat de leerling--altijd vooropstaat. Dat klinkt echter makkelijker dan het is: wat dat belang precies is, hangt af van de context, die iedere keer weer anders is. Dat vereist een zorgvuldige afweging van mogelijkheden, waarin de professional telkens weer een bepaalde keuze maakt—het voortdurend maken van dergelijke keuzes is naar mijn mening het hart van het werk van de leraar als professional. Je kunt misschien ook leraar zijn zonder zelf keuzes te maken, bijvoorbeeld door je strikt aan externe methodes en voorschriften te houden, maar dan ben je dan nog een professional?
Die gemaakte keuzes impliceren een verantwoordelijkheid, waar de professional te allen tijde op aanspreekbaar is. Die aanspreekbaarheid vormt de werkelijke basis onder de autonomie in het dagelijks handelen van de professional. Omdat je die autonomie hebt, en daarover verantwoording af moet kunnen leggen, heb je die stevige opleiding en ervaring nodig—en niet andersom.

Zo bezien is het juist inherent aan het professionele karakter van het beroep van leraar om elkaar aan te spreken--of liever: je te laten aanspreken. Dat is de enige manier om je te blijven ontwikkelen en groeien in je beroep, en zo telkens weer betere keuzes te kunnen maken in de dagelijkse praktijk.