donderdag 28 april 2011

Onderwijs en jazz

Eens in de zoveel tijd wordt voor onderwijsvernieuwing de jazz-metafoor weer uit de kast gehaald. Meest recent kwam ik hem tegen bij mijn zeer gewaardeerde collega Wilfred Rubens. Metaforen zijn echter als plastic zakken: overal voor bruikbaar, totdat ze, ooit maar onherroepelijk, stuk gaan. Die jazz-metafoor in het onderwijs heeft leuke kanten: het legt de nadruk op het improviserende, het creatieve, de samenwerking. Allemaal belangrijk bij onderwijsvernieuwing. Bovendien is jazzmuziek vaak vrolijk en swingend, ook niet onbelangrijk. Er zijn echter een paar aspecten aan de jazzmetafoor, die vaak wat onderbelicht blijven, wat minder voor de hand liggen, maar hopelijk de bruikbaarheid en de levensduur ervan kunnen verlengen. Deze wil ik hier noemen.

  • Om goed jazz te kunnen spelen, moet je heel veel oefenen. Alles begint met een uitstekende techniek en een perfect oor voor wat zuiver is, en wat vals.
  • Je moet niet bang zijn om het commentaar van je collega's te horen, als zij vinden dat je nog wat tekortschiet op die eerste regel.
  • Er zijn wel degelijk onderliggende regels wat betreft akkoorden en ritmes. Het lijkt alsof musici alle ruimte krijgen om te doen wat ze willen, maar in de meeste jazz-stromingen zijn er wel degelijk duidelijke afspraken.
  • De meeste jazzmusici zijn halve of hele amateurs, die hun avonden en nachten slijten in kleine zaaltjes voor beperkt publiek; er zijn maar een paar toppers die beroemd zijn en hun stempel weten te drukken op het genre.
  • En niet in de laatste plaats: een groot deel van de jazz bestaat uit het opnieuw uitvoeren van oude klassiekers.

Voor onderwijsvernieuwing zou je kunnen concluderen: zet niet je zinnen op een totale omkering van het systeem, maar tel je zegeningen. Ook als er al veel vastgelegd is, valt er nog veel te improviseren. Bedenk dat hoe dan ook de basis op orde moet zijn, en dat het daarna een kwestie is van oefenen, oefenen, oefenen om op elkaar ingespeeld te raken. En vooral: doe die mooie klassiekers niet af als oude koek, maar koester ze en breng ze in een fris jasje opnieuw ten gehore. Succes verzekerd!

dinsdag 26 april 2011

De directeur en de leraren mogen het oplossen

Afgelopen zaterdag plaatste NRC Handelsblad een artikel van mij op de opiniepagina. Dit artikel schreef ik in reactie op het rapport dat de Onderwijsinspectie vorige week presenteerde, en naar aanleiding waarvan de NRC kopte dat het 'voortgezet onderwijs in de gevarenzone zat'. Als dat al waar is, is de strekking van mijn betoog, dan zijn er meerdere partijen die een rol hebben in het oplossen van dat probleem. Naar mijn idee wordt de zwarte piet te vaak bij slechts één partij neergelegd: leraren, bestuurders, directeuren en dan weer eens ouders. Het leek me goed om daar met dit stuk wat nuance in aan te brengen.
Ik kreeg de afgelopen dagen veel reacties, de meeste positief, maar ook een aantal kritische. De positieve reacties (van zowel leraren als leidinggevenden) zijn als volgt samen te vatten: 'Goed dat er eens aandacht komt voor wat er concreet gebeurt op scholen!'. Daar ben ik blij mee, want ik heb het idee dat veel mensen die over onderwijs een mening hebben of zelfs beslissingen nemen, zelf nog maar weinig in scholen komen en niet weten hoe ongelooflijk divers scholen de afgelopen 10 jaar geworden zijn. Niet alleen in de problematiek waar ze mee te maken hebben, maar ook in de (voorlopige) oplossingen die ze daarvoor gevonden hebben.
De negatieve reacties verschillen. Iemand vond mijn slotstelling dat 'onderwijs nu eenmaal een complex systeem is', een zwaktebod. Daar kan ik inkomen, maar ik vind het lastig om het anders uit te leggen. Vergelijk het met een tuintje waarin je groente zaait. De een beweert: 'Veel water geven!' De ander zegt: 'Veel zonlicht!' Nog weer iemand roept: 'Beetje kunstmest erbij!' Ze hebben allemaal gelijk, maar wat is de goede verhouding? Op een gegeven moment werkt meer kunstmest averechts. Zo is denk ik nu de situatie in het onderwijs. Van leraren (en hun leidinggevenden) kan niet meer gevraagd worden. Je kunt wel zeggen dat ze harder moeten werken, maar er zitten maar 24 uur in een dag, en vooral: maar tien dubbeltjes in een euro.
Andere metafoor: een voetbalteam. Als er niet gescoord wordt, kun je de spitsen wel opjagen harder te werken, maar als zij geen ballen aangespeeld krijgen uit het middenveld, of als de keeper voortdurend de schoten op doel van de tegenstander doorlaat, is er geen beginnen aan. De scholen (leraren en leidinggevenden) zijn hier de spitsen. Zij moeten het doen met de leerlingen die ze van de ouders aangereikt krijgen. Wie de keeper is, laat ik over aan uw eigen verbeelding.
En uit de voetbalwereld weten we ook dat die samenwerking een wisselwerking is: sommige initiatieven pakken op korte termijn goed uit, maar op lange termijn slecht. En andersom: soms duurt het even voor je succes hebt, maar dan houdt dat ook een tijdje aan. Over die cyclische kant van kwaliteitszorg schreef ik eerder dit bericht.

Wat ik in ieder geval niet heb willen doen is de tegenstelling schoolleiding-leraren verder aanwakkeren. Als die indruk gewekt is, dan spijt me dat. Het is juist mijn streven om voorbij het wij/zij denken te komen, en de kloof te overbruggen. Als er één ding is dat scholen willen bijbrengen aan hun leerlingen, dan is het wel dat samenwerken belangrijk is, en dat je daarvoor soms je persoonlijke oordelen over een ander aan de kant moet zetten. Hopelijk lukt het leraren en leidinggevenden om dat voorbeeld te (blijven) geven.

Update: voor weblog Sargasso schreef ik, op grond van enkele reacties die ik kreeg, een aangepaste versie van het oorspronkelijke artikel.

Update 2: In de New York Times stond onlangs dit verhaal over de averechtse uitwerking van de beperkte visie op onderwijsresultaten alleen bij onderwijsvernieuwing

vrijdag 22 april 2011

Onze school is een verhaal


Vorige week vrijdag vond de presentatie plaats, bij CPS in Amersfoort, van ons boek ‘Onze school is een verhaal’. En tjonge wat zijn we er trots op! Het was een mooie bijeenkomst, waarin we de bezoekers kunnen hebben laten ervaren wat we met ons boek bedoelen. Daar ben ik blij mee, want dat was nog wel een van de paradoxen van het boek: hoe stimuleer je de dialoog met een monoloog?
Wat we met het boek beogen, is om het gesprek over de essentie van de school (weer) op gang te brengen. Die essentie noemen we identiteit. Dat is misschien een wat beladen woord, zeker op christelijke en katholieke scholen, maar het is onze overtuiging dat iedere school, misschien zelfs iedere organisatie, een identiteit heeft die het waard is om verder te ontwikkelen.
Om dat gesprek te voeren, zul je ruimte moeten maken. Het is namelijk een gesprek waarvoor het nodig is dat je elkaar ‘ontmoet’. Ook alweer zo'n beladen woord. Met ontmoeten bedoelen we: dat je probeert je te verdiepen in de ander. In gangbare contacten in scholen zijn we vaak vooral bezig anderen te overtuigen van onze mening en onze ideeën. Daarmee krijg je echter nog geen zicht op de dieper liggende drijfveren van de ander. Voor gezamenlijke identiteitsontwikkeling is dat wel nodig.
Is identiteit dan zo belangrijk? Kun je niet gewoon je school ‘doen’ zonder allerlei diepzinnig gepraat? Misschien wel. Feit is dat mensen ten diepste gemotiveerd worden door de mate waarin ze zich vereenzelvigen met de identiteit van een organisatie. Als die identiteit onbesproken blijft, en het gaat goed, is er niets aan de hand. Ontstaat er onenigheid, of ‘gedoe’ dan is de kans groot, dat dat niet opgelost wordt, voor er opnieuw een gezamenlijke identiteit ontwikkeld is.
Er wordt veel gepraat over kwaliteit van het onderwijs de laatste tijd. Al snel denk je dan aan citotoetsen en eindexamencijfers. Wat de meeste mensen impliciet onder kwaliteit verstaan heeft echter meer te maken met zachte aspecten: hoe gaan we met elkaar om, op welke extra's leggen we de nadruk, welk mens- en maatschappijbeeld ligt ten grondslag aan het onderwijs?
De antwoorden op dat soort vragen geven samen een beeld van de identiteit van de school. Die identiteit komt nooit uit de lucht vallen. Alle scholen hebben een bepaalde traditie, een geschiedenis, die bij de een nog wat sterker leeft dan de ander. Vrijwel altijd zul je, om de vragen over de essentie van de kwaliteit te beantwoorden, terug moeten grijpen op die geschiedenis, om die opnieuw te verbinden met de dagelijkse realiteit.
Het goede nieuws is: het organiseren van de ontmoeting in de school, en het stimuleren van de dialoog die daaruit voortkomt, is makkelijker dan je denkt, en levert bovendien veel inspiratie en energie op. Wat er gebeurt, en dat hebben de deelnemers afgelopen vrijdag mogen ervaren, is dat je niet alleen op cognitief niveau met elkaar communiceert, maar ook op het niveau van de concrete ervaring en de emotie. Dat is helaas niet over te brengen op papier, en evenmin op deze een website. Dat moet je gewoon doen. We hopen van harte dat dat met ons boek gaat gebeuren.