dinsdag 21 december 2010

Intern toezicht in het onderwijs

Blij verrast zag ik vandaag dat de publicatie 'Intern toezicht op onderwijsbestuur', die ik samen met Hans van Dijck geschreven heb, nog deze week te bestellen is bij Kluwer. Hans benaderde me alweer bijna twee jaar geleden met het idee om een publicatie te schrijven over intern toezicht in het onderwijs, en nu eindelijk ziet het boekje het licht.
Boeken over toezichthouden zijn er natuurlijk al genoeg. Onze publicatie biedt een nuttige aanvulling, denken wij, op het praktische, dagelijkse (voorzover je daarvan kunt spreken) reilen en zeilen van toezichthouden. Hoe verdelen toezichthouder en bestuurder in de praktijk de macht? Hoe communiceren zij daar onderling over? Wat doe je als conflicten sluimeren, en beter: hoe voorkom je ze? Hoe blijf je alert op de zuiverheid van je rol als toezichthouder? Wie heeft nu welke verantwoordelijkheid als het gaat om externe verantwoording? En hoe geef je die vorm? Het zijn dat soort vragen, die nogal voor de hand liggen, maar in de praktijk vaak toch lastig te beantwoorden blijken te zijn.

Het boekje was nog niet naar de eindredactie, of de bom barstte bij Inholland. Als we dat hadden geweten, hadden we het graag verwerkt als casus. Nu staan er wel allerlei andere voorbeelden in het boekje, maar dit is wel een heel interessante. Al was het alleen maar omdat de rol van de toezichthouder cruciaal is geweest in het Inholland-schandaal, maar dat deze (zoals zo vaak) onderbelicht is gebleven in de media. Hierbij daarom een poging tot analyse.
Vooraf nog: ik denk niet dat Jos Elbers een schurk is, noch is Geert Dales een opportunist. Ze zijn beiden energieke bestuurders, die gewend zijn volle kracht vooruit te gaan. Juist daarom is er een stevig toezicht nodig, dat een tegenwicht kan bieden tegen al te veel dadendrang, om te voorkomen dat er brokken worden gemaakt in de organisatie. Over dit type vernieuwende schoolleiders schreef ik eerder dit artikel.

Ons eerste hoofdstuk gaat over de 'machtsbalans'. Hoe zorg je ervoor dat, niet alleen op papier, maar ook in de praktijk, duidelijk is wie waarover de baas is? Die balans was bij Inholland duidelijk zoek. Het CvB, en afgaande op de krantenberichten, vooral voormalig voorzitter Jos Elbers, had de RvT (eerst Haddo Meijer, vanaf 2008 Karel Noordzij) in zijn zak. Zelfs toen Elbers afscheid nam, wist hij nog klaar te spelen dat hij, goed betaald, teruggehuurd werd voor 'advieswerk'. Haddo Meijer is overigens nog steeds actief als toezichthouder en kwam vorig jaar nog in het nieuws als toezichthouder bij de Staatsloterij, waar hij ook al ruime vergoedingen uitdeelde aan de bestuurder.
Het tweede hoofdstuk gaat over 'distantie en betrokkenheid'. Ook daarin schoot de RvT van Inholland ernstig tekort. De distantie ten opzichte van de organisatie was te groot, de betrokkenheid bij het wel en wee van de bestuurder te klef. Dat had andersom moeten zijn: meer compassie met wat er in de hogeschool leefde, en een gezonde afstand tot het opereren van het CvB.
Ons derde hoofdstuk heeft als titel 'Resultaten bereiken'. Wat wilde de RvT dat Inholland zou bereiken? Op welke indicatoren werd gelet? Het blijft uit de nieuwsberichten onduidelijk welke resultaatafspraken de RvT met het CvB gemaakt heeft. De strategie van Elbers leek vooral gericht te zijn op groei als doel op zich. Participaties in Nyenrode, een vestiging in Paramaribo, vernieuwend onderwijs, waardoor minder contacturen nodig waren (en er dus meer studenten per docent konden worden 'verwerkt'), het leek allemaal prachtig. Wat het echter zou moeten opleveren in termen van onderwijskwaliteit, leek niemand zich af te vragen. Een veeg teken is dat de RvT bij het afscheid van Elbers in 2007 vooral benadrukte dat de hogeschool 'financieel gezond en toekomstbestendig' was. Maar was het ook een betere hogeschool?
Het vierde hoofdstuk gaat over toezicht en de maatschappelijke opdracht van de instelling. Hier heeft de RvT van Inholland het echt laten zitten. De kern van toezichthouden is het waken over de continuïteit van de kerndoelen van de organisatie. Uit reacties van oud-bestuurders, die mede de fusie tot Inholland hadden vormgegeven, blijkt dat daar duidelijke uitgangspunten voor gegeven waren, die door Elbers met voeten getreden werden. De klachten van studenten en medewerkers bleven allang niet meer binnen de muren van de instelling. De RvT liet het (blijkbaar) gebeuren.

Uit deze analyse wordt duidelijk dat in het geval van Inholland de 'countervailing power',  in de vorm van een integer en prudent toezicht, op alle fronten afwezig is geweest. Doekle Terpstra gaat nu de stal uitmesten. Hij heeft inmiddels zijn CvB opgetuigd en zijn visie uitgelegd, maar hij doet er nog beter aan een aantal stevige personen in de RvT te zetten, die een tegenwicht voor hemzelf als zelfbenoemd CEO gaan vormen. Voornaamste selectiecriterium zou dan moeten zijn: integriteit, gepaste distantie en inhoudelijke deskundigheid. Misschien moet ik toch eens een boekje aan Terpstra opsturen.

zondag 19 december 2010

Regels, aandacht en verantwoordelijkheid

Een tijd geleden woonde ik een presentatie van Jaap Peters bij. Hij hield een goed verhaal over aandacht. Zijn stelling was: hoe meer regels we met elkaar afspreken, hoe minder aandacht we voor elkaar hoeven te hebben. Hij illustreerde dat met een filmpje over het verkeer in Saigon. Door een mail van iemand, aan wie ik dat verhaal al eens vertelde, werd ik er weer aan herinnerd, en zocht het filmpje weer even terug. Of dit het precieze filmpje was, weet ik niet, maar er is hetzelfde proces op te zien.




Het mooie aan het filmpje is, dat welke verkeersstroom op het kruispunt voorrang heeft, vanzelf geregeld wordt, op basis van impliciete afspraken. Er wordt heel wat afgetoeterd (communicatie!), maar het loopt eigenlijk nooit uit de hand. En iedereen kijkt goed naar elkaar, en heeft volle aandacht. Iedereen is een stukje eigenaar van het goed verlopen van het verkeer. Daar heeft iedereen belang bij, dus iedereen neemt die verantwoordelijkheid.

Prachtige illustratie van de relatie tussen initiatief, keuze en verantwoordelijkheid: kortom van gespreid leiderschap. In ieder geval leuk genoeg om hier nog weer even te delen.

dinsdag 7 december 2010

Kwaliteit en kruumelvlaaj

Een aantal verjaardagen had ik al voorbij moeten laten gaan sinds ik bij het RdMC werk, maar vorige week had ik dan eindelijk geluk: er werd vlaai getrakteerd op een dag dat ik ook in Heerlen was. Limburgse vlaai, en dan nog wel Heerlense 'kruumelvlaaj' is veel lekkerder dan dat hapje behangerslijm-in-karton dat men u buiten de Limburgse landsgrenzen in de maag proberen te splitsen. Hoe doen de Limburgers dat? Vlaai is natuurlijk diep verbonden met de Limburgse traditie. Waarschijnlijk hebben ze ook betere bakkersscholen. In ieder geval is er geen Limburgse Vlaai-Inspectiedienst die bij bakkers komt toetsen of de vlaai wel lekker genoeg is. Limburgse bakkers stellen er zelf een eer in om goede vlaai voor te zetten.

De PISA-scores van Finland zijn als de kruimelvlaai in Limburg. Finse leraren stellen er een eer in om iedere leerling het onderwijs te geven dat hij of zij verdient. Iedere keer zoeken ze weer naar welke aanpak deze leerling, in deze situatie nodig heeft, om een bepaald stuk lesstof te leren. Finland kent inspectie, noch Cito.

Minister Marja van Bijsterveldt heeft, na de bekendmaking van de verdere daling van Nederland in de internationale PISA-ranglijsten, aangekondigd de onderbouw van het voortgezet onderwijs drastisch te reorganiseren. 'Terug naar de kern', is haar boodschap. Daarmee bedoelt ze: alle kaarten op wiskunde, Nederlands en Engels, niet toevallig de belangrijkste indicatoren in het PISA-onderzoek. Daarmee reduceert ze echter de vlaai tot de knapperig-zoete 'kruumels' bovenop, terwijl er nog zoveel meer is aan goede vlaai. Het is ook de korst (stevige bite, en zoet-zacht in de mond) en de room: romig en fris tegelijk, en zeker niet te vet. Ingewikkeld om dat allemaal te bereiken? Zeker. Alle reden dus om het aan vakmensen over te laten. Net zoals je onderwijs aan (goede) leraren over moet laten. Want je kunt de wiskundelessen niet los zien van techniek, Engels niet van Frans en Nederlands niet van aardrijkskunde. En die accenten liggen voor Nick ook nog eens anders dan voor Nilgün. Het is een illusie dat vanuit Den Haag te willen sturen. Bovendien, eenderde van de scholen voegt vakken in de onderbouw al samen in leergebieden (2008).

Een paar weken geleden verscheen een McKinsey-studie naar de verschillen in onderwijsresultaten tussen een aantal landen. The Economist concludeert hieruit dat het afwisselen van centrale en decentrale sturing nauw luistert. Waar de scores onder een bepaald minimum blijven, is centrale aansturing geboden. Harde eisen aan het curriculum stellen, strikt toetsen van resultaten. Maar als scores al wat hoger zijn, helpt centrale sturing niet meer. Dan moet er juist gedecentraliseerd worden: alle ruimte voor de leraar.

We zijn nu zo'n 10 jaar serieus bezig met 'kwaliteitsbeleid' in het voortgezet onderwijs. Sinds die tijd is de aansturing van die kwaliteit alleen maar meer gecentraliseerd en is de algemene opvatting over wat 'kwaliteit' is, alleen maar smaller geworden. Nog harder hameren op kwaliteit in smalle zin, is uiteindelijk funest voor de totale kwaliteit van het onderwijs. Daarover schreef ik eerder dit bericht.

In Nederland sorteren we, als gevolg van de verplichte Cito-toets in groep 8 (die eigenlijk al begint met de Cito-entreetoets in groep 7, als kinderen 10 à 11 jaar oud zijn), kinderen al heel vroeg voor. En eenmaal het stempel 'niet intelligent' verkregen, is het heel moeilijk om dat weer kwijt te raken. Malcolm Gladwell betoogt in zijn befaamde boek 'Outliers' hoe een arbitraire scheiding op jonge leeftijd doorwerkt in vermeend 'talent' (of het gebrek eraan) op latere leeftijd. 'Slimme' kinderen krijgen vanaf het moment dat ze getoetst zijn in groep 7, beter en uitdagender onderwijs, ontwikkelen zich daarom sneller en zijn dus op 15-jarige leeftijd verder dan hun 'domme' leeftijdsgenoten. Laten we nadenken hoe we kunnen voorkomen dat veel talent, dat misschien wat later tot ontwikkeling komt, al voor hun 12e is afgedankt. Daarmee verminderen we het aantal 'domme' leerlingen en gaat het gemiddelde vanzelf omhoog. Maar dat riekt te veel naar middenschool, dus dat zal bij voorbaat wel onbespreekbaar zijn.

zondag 5 december 2010

Een week zonder Twitter: over zoeken, vinden en serendipiteit

Op 19 december 2008 maakte ik een account aan bij Twitter, in eerste instantie om de berichten van Lance Armstrong te kunnen volgen. Verder zag ik er, behalve wat informeel contact met familie en vrienden, niet zoveel brood in. Dat veranderde pas toen ik een jaar later een presentatie van Jaap Peters bijwoonde.
Hij overtuigde me van het nut van Twitter: je kunt makkelijk en efficiënt met heel veel mensen contact houden. Hoe meer mensen zich erbij aansluiten, hoe meer mensen hun kennis en ideeën delen, hoe makkelijker je weer op nieuwe ideeën komt. Sinds die tijd ben ik intensief gaan twitteren, met meerdere tweets per dag. Ik probeer het te laten aansluiten op dit weblog, waar ik minimaal een keer per week een nieuw bericht probeer te plaatsen.

Sinds die tijd heb ik gemerkt dat ik via Twitter en de reacties op dit weblog veel nieuwe ideeën heb gekregen, vooral ideeën waar ik niet naar op zoek was, maar die ik toch kon gebruiken. Die ervaring sluit weer aan bij de opmerking van iemand dat de afgelopen 10 jaar het zoeken voorop stond (waarin Google leidend is), maar dat de komende 10 jaar draaien om het vinden (zie ook dit filmpje op Youtube). Dat laatste verklaart de opkomst van Facebook en Twitter. Nog voordat je wist dat je iets zocht, heb je het, via het fijnmazige netwerk van vrienden en contacten, gevonden. Bij uitstek is dat de definitie van serendipiteit: het gegeven dat je vaak iets vindt waar je niet naar op zoek was, maar die onverwachte vondst vaak juist wel van waarde blijkt te zijn.

Toch knaagde er ook iets bij me de laatste tijd. Niet-twitteraars vroegen me vaak of dat nou niet veel tijd kostte. Ja, aan de ene kant wel. Maar aan de andere kant levert het me ook tijd op. Denk ik.  Om dat uit te proberen heb ik de afgelopen week niet getwitterd. Nou ja, bijna niet dan. Voor de Nijmeegse afdeling van de Fietsersbond houd ik ook een Twitteraccount bij, en dat heb ik door laten gaan.

De vraag is: was het nu een andere week? Ja en nee. Ik heb gemerkt dat ik mijn tijd anders besteedde de afgelopen week. Of ik tijd heb overgehouden, of juist niet, kan ik niet zeggen. Daarvoor is een week misschien te kort. Mijn belangrijkste ervaringen:
  • Ik heb meer krant gelezen. 's Ochtends kijk ik doorgaans vaak al even naar de tweets die ik 's nachts gemist heb. De afgelopen week dus niet en ik heb daarom langer gelezen in de ochtendkrant.
  • Ik heb het gevoel dat ik interessante berichten uit andere kranten gemist heb, met name de Volkskrant en Gelderlander, die hier niet op de deurmat vallen, maar waar ik naar verwezen word door andere twitteraars.
  • Ik had meer rust in de trein. Normaal gesproken gebruik ik die tijd om wat berichten bij te werken en te versturen. Aan de andere kant was dat ook wel eens frustrerend, omdat op mijn standaard-trajecten de dekking van T-Mobile niet geweldig is. Die frustratie werd me nu bespaard, waardoor ik meer tijd op mijn laptop besteedde, of met het lezen van papieren documenten.
  • Ik heb meer tv gekeken. Nou is dat bij mij niet moeilijk, omdat ik zelden tv kijk, of er moet wielrennen op zijn. Deze week heb ik twee keer Nieuwsuur gekeken, en dat komt anders nooit voor. Het kan ermee te maken hebben dat ik de krant al uit had, en geen zin had om nog iets anders te gaan lezen. Op andere avonden was er dan altijd wel iets leuks wat via Twitter voorbijkwam. W aarbij me vooral weer opviel hoe langzaam tv eigenlijk is als medium: ieder item moet ingeleid worden, krijgt een filmpje met een voice-over die meestal vertelt wat je al ziet, en een obligaat studiogesprek waarin nog eens herhaald wordt wat in de inleiding al gezegd is.
  • Ik heb het gevoel ontwikkelingen en gebeurtenissen gemist te hebben. Bijvoorbeeld tips en blogs via collega's (ook via Yammer). Maar o ok buiten mijn werk: de kleine meningsverschillen tussen politici en gebeurtenissen in het buitenland, die de krant niet halen, maar op Twitter live te volgen zijn.
  • Aan de andere kant ben ik ook minder afgeleid door de dag heen. Ik heb met meer rust kunnen doorwerken aan mijn projecten en lopende publicaties, omdat ik niet het gevoel had dat ik moest reageren op iets wat ik via Twitter gelezen had.
  • En tot slot heb ik in ieder geval meer tijd aan mijn gezin besteed. Ik moet bekennen dat ik 's avonds rond het eten vaak tweets las, terwijl dat ook het moment is om te vragen aan de kinderen hoe het vandaag op school was. Daar weet ik nu meer van.
  • Aan de andere kant heb ik geen idee hoe het met mijn zus is, wiens twitterberichten ik natuurlijk ook gemist heb. Die zal ik dan maar weer eens gewoon bellen.
Kortom: gemengde resultaten van een twitterloze week. De belangrijkste conclusie voor mij is: wel blijven twitteren, maar beter mijn periodes en momenten kiezen waarop ik welbewust niet twitter. Zo houd ik tijd over wat belangrijk is, maar mis ik niet de ongezochte vondsten die me op andere momenten tijd besparen.

woensdag 1 december 2010

Leraar als exclusief beroep

Deze week verscheen een onderzoeksrapport van SBO dat ingaat op succesvolle initiatieven in andere landen om de status en kwaliteit van het beroep van leraar te verhogen. Zoals het weblog ScienceGuide in haar analyse ervan onderstreept, blijkt de exclusiviteit van de toegang tot het beroep een belangrijke factor te zijn. Die ervaring kennen we in Nederland ook bij sommige opleidingen, kijk bijvoorbeeld naar een opleiding als de Hotelschool. Daar wordt enorm veel gevraagd van aspirant-studenten, maar dat schrikt ze niet af, integendeel.
Dus dan maar een stevig selectiegesprek met alle aspirant-studenten? Helaas, die gesprekken zijn nog geen garantie voor een hoog studierendement, zo blijkt uit literatuuronderzoek, en uit experimenten in de praktijk. Bij de Surffoundation loopt een uitgebreid onderzoeksprogramma naar de werkzaamheid van intakegesprekken voor het verbeteren van de studiekeuze en het verhogen van het studierendement. Uit de eerste startrapportage blijkt dat er niet één doorslaggevende factor te benoemen is, die succes in het eerste studiejaar voorspelt.

Die vaststelling zou niet moeten leiden tot de mismoedige conclusie dat het dus allemaal niets uitmaakt. Volgens mij blijkt hier juist uit hoe nauw het allemaal luistert, voor je een goede opleiding hebt, die excellente leraren aflevert. Het zijn én de stevige selectiegesprekken, én de veeleisende docenten, én het uitdagende curriculum, én het beroepsperspectief, én (indien nodig) de gewogen loting op basis van eindexamencijfers, die samen zorgen voor de juiste match van ambitieuze student en veeleisende opleiding.

Een belangrijke factor hierbij is tijd. Het duurt even, voor je de juiste aanpak van intake- en selectiegesprekken ontwikkeld hebt. Voordat de docenten op een lerarenopleiding die ‘onder de streep’ functioneren, naar de uitgang begeleid zijn. Voordat aspirant-studenten tijdens open dagen (de belangrijkste factor in studiekeuze) om zich heen kijken en in de kleine details de hoge eisen en kwaliteit van de opleiding herkennen. Dat heb je niet volgend jaar allemaal veranderd. Finland doet het vanaf de jaren ‘90 goed, maar begon met het hervormen van het onderwijssysteem in de jaren ’70. Er kan dus zomaar twintig jaar overheen gaan.
Het vervelende is, dat het dan niet helpt als de overheid lerarenopleidingen afrekent op het ‘produceren’ van zoveel mogelijk diploma's in zo kort mogelijke tijd. Docenten die studenten willen uitdagen, doen dat dan vaak voor eigen risico (en soms zelfs rekening). Het kost namelijk meer tijd en moeite, en de kans bestaat dat (op korte termijn) minder studenten de eindstreep halen. Pak je het echter goed aan, dan zal een veeleisende opleiding op langere termijn meer, en meer ambitieuze studenten aantrekken. Dat is volgens mij de belangrijkste les van het SBO-rapport.
Ik acht minister Van Bijsterveldt intelligent genoeg om dit alles te doorzien. Hopelijk durft ze het ook aan om hierin beslissingen te nemen waarvan zij de echte resultaten als minister waarschijnlijk niet meer zal meemaken.