zondag 31 oktober 2010

Over doelen, middelen, kinderopvang en T-Mobile

NRC Handelsblad brengt dit weekend een uitgebreid stuk over het doorschieten van marktwerking in de kinderopvang. In 2005 is deze branche geprivatiseerd, maar tegen de verwachting in is de crèche duurder en slechter geworden.
Hier wreekt zich de doel-middel verwisseling die optreedt als een bedrijf van de non-profit naar de profit-sector opschuift. Bij de non-profit instelling is maximale intrinsieke kwaliteit het doel; binnen financiële kaders. Opvang is het doel, geld het middel. Bij de profitinstelling is maximaal rendement voor de investeerder het doel, binnen minimale kwaliteitskaders. Ofwel: geld is het doel, opvang het middel.

In de ogen van de investeerders is de kinderopvang daarom beter geworden: efficiënter georganiseerd en meer opbrengst bij minder investeringen. Alleen in de ogen van de ouders is de kinderopvang slechter geworden. Helaas heeft de overheid  verzuimd de criteria waarmee de opvang door de ouders beoordeld wordt, duidelijk te maken aan de investeerders. De overheid definieert maar één criterium voor kwaliteit: een minimum aantal kinderen per leidster. Maar dat is slechts een heel ruwe indicator, die nog niets zegt over de intrinsieke kwaliteit van de kinderopvang. Die wordt volgens ouders vooral bepaald door nabijheid, pedagogiek, en stabiliteit.
Een profit-instelling heeft er echter geen enkel belang bij, om naar een zo hoog mogelijke intrinsieke kwaliteit te streven. Haar doel is een zo hoog mogelijk rendement te bieden aan haar investeerders. Als ze dat niet als doel heeft, is het óf een filantropische instelling (en dus toch non-profit), óf ze zal snel verdwijnen, omdat investeerders hun geld dan elders onderbrengen. Een profit-instelling zal vervolgens zoeken wat het minimum aan klanttevredenheid is, dat ze kan bieden. Dat leidt onherroepelijk tot klachten--dat wordt ingecalculeerd. De vraag is niet: lopen er klanten weg, maar: blijft dat binnen de perken? Een nieuw mobieltje is zo gekocht, reden waarom T-Mobile wel moet reageren als blijkt dat ze die normen overschrijden.

In de kinderopvang lopen ouders echter niet zo snel weg, omdat een van de belangrijkste indicatoren voor intrinsieke kwaliteit (een stabiele omgeving) door de ouders zelf wordt geboden. Hoe meer ouders gaan slepen met hun kinderen, hoe lager die stabiliteit wordt. En bovendien is het aantal crèches in de buurt waar je uit kunt kiezen, eindig. De perverse prikkel die hier is ingebouwd, is dat de kinderopvangbedrijven slapend rijk kunnen worden, omdat ouders zelf zorgen voor de belangrijkste pijlers onder de kwaliteit van de opvang.
Wil je dit oplossen, dan moeten de daadwerkelijke kwaliteitscriteria die ouders hanteren, in het toezichtskader worden opgenomen. Gezien het bovenstaande is dat nauwelijks mogelijk. Stabiliteit is lastig te garanderen. En een bedrijf verplichten een vestiging te verplaatsen, omdat ouders niet willen verhuizen als ze een ander kinderdagverblijf willen kiezen, is niet realistisch. Geen investeerder die onder die voorwaarden nog een kinderopvangbedrijf begint.
Daaruit volgt dat het logischer is om kinderopvang, net als zorg en onderwijs, door nonprofit-instellingen te laten verzorgen. Kwaliteit is dan evenmin gegarandeerd, maar in ieder geval wordt dan weer gepraat over hoe je kinderen het best kunt opvangen, en niet hoe je de eigenaren van het bedrijf aan zoveel mogelijk geld helpt. Voor degenen die meer marktwerking in het onderwijs voorstaan, is deze ervaring in de kinderopvangsector hopelijk een wijze les.

donderdag 28 oktober 2010

'Problem framing' en betekenisgeven bij onderwijsvernieuwing

De Engelse taal is zo fijn flexibel. Voor iedere conceptuele notie is wel een pakkende woord of term te verzinnen, die dan klinkt alsof hij er altijd al geweest is. In het Nederlands vertaald klinkt zo'n term vaak een stuk stugger. 'Problem framing' bijvoorbeeld. Ik lees die term in de titel van een artikel van Cynthia Coburn dat ik aan het lezen ben.
Ik vind het belangrijk artikel, omdat Coburn nauwgezet laat zien hoe hoe de wijze waarop leraren beleidsinitiatieven interpreteren, er betekenis aan geven, en op grond daarvan vervolgens hun handelingen bepalen. Ze gebruikt daarvoor de term 'frame', wat je zou kunnen vertalen met referentie- of interpretatiekader. Coburn laat zien hoe dat 'inkaderen van een probleem', het betekenis geven, en daarmee weer sturen van het inkaderen van anderen, een interactief, cyclisch proces is. Dat lijkt een geweldige open deur, in ieder geval voor praktijkmensen.

In onderzoeksland is het dat echter niet, omdat in heel veel onderzoek en benaderingen van beleidsimplementatie aan de details van dat proces wordt voorbijgegaan. Daar wordt bijvoorbeeld gezegd: de leider moet voor draagvlak zorgen. Alsof je dat kunt aan- en uitzetten als een lichtknopje. Of: de leider zorgt voor de visie en de kaders, en stimuleert en motiveert de medewerkers. Klinkt goed, maar hoe ziet dat er uit? Wat zegt die leider dan precies? En werkt zijn tekst ook in andere gevallen? 'Leiderschap' is niet zo'n simpel concept als wel eens gedacht wordt.
Naar mijn idee moeten we meer onderzoek doen naar wat er dan precies in de praktijk gebeurt tussen mensen. Dan weten we beter waar de aanknopingspunten zitten om die interactieve, cyclische processen tussen mensen bij te sturen, stukje bij beetje. Het is een lijn van onderzoek die ik in mijn werk bij het Ruud de Moor Centrum verder wil uitwerken en vormgeven. Coburns gedachtegoed is al verwerkt in een eerder artikel waar ik aan meegewerkt heb. De praktijkgerichte projecten bij RdMC zijn bij uitstek geschikt om veel van die informatie over de dagelijkse details van beleidsimplementatie te verzamelen. Hoe precies, daarover volgt op deze en andere plekken de komende tijd meer nieuws.

maandag 25 oktober 2010

Effectief professionaliseren

Half oktober plaatste NRC Handelsblad een opiniestuk van Ton van Haperen (Prestatiebeloning is kansloos, ontsla liever slechte leraren). Hoewel ik het met hem eens ben dat prestatiebeloning een sterk overschat instrument is, vond ik zijn oplossing om slechte leraren te ontslaan, hoewel die erg logisch en aantrekkelijk klinkt, wat simpel gesteld.
Er zitten twee impliciete veronderstellingen onder zijn voorstel, die zo'n oplossing minder logisch maken dan hij op het eerste gezicht lijkt. De eerste is dat 'het management' het hier mag oplossen, terwijl op andere momenten die managers overbodig zouden zijn. Zo strikt is die scheiding echter niet te maken. De kwaliteit van het onderwijs dat gegeven wordt, is een verantwoordelijkheid van alle professionals in de school, of ze nu leidinggeven of niet. Hoe meer problemen leraren onderling weten op te lossen, hoe minder managers er nodig zijn. Met elkaar de resultaten van lesgeven bespreken zou vanzelfsprekend moeten zijn voor alle leraren. En soms zijn dat lastige, zelfs pijnlijke gesprekken. Maar die zijn nodig, want het gaat om de leerlingen. Toch?

De tweede veronderstelling is dat de 'slechte' leraren eenvoudig aan te wijzen zijn in de school. Een beetje zoals op de posters die waarschuwen voor overvallers. Dat is echter niet zo eenvoudig. Net zoals de gelegenheid de dief maakt, maakt de context de (slechte) leraar. Je moet daarom niet de leraar veranderen, maar vooral de context waarin hij werkt en zich (al dan niet) ontwikkelt.
Te vaak gebeurt het nog dat jonge leraren te weinig begeleid worden, moeilijke klassen krijgen, slecht worden opgevangen in hun team en dat leidinggevenden te weinig tijd nemen om een nieuwe collega goed in te werken. En als het gaat om professionalisering, dan wordt vaak gedacht aan een cursus, of een externe coach die de boel weer even op de rails komt zetten.

Een recente reviewstudie in Meso Magazine (nr 174, p 18-23; waarom dat blad niet wat beter aanwezig is op internet is mij een groot raadsel) van Van Veen, Zwart, en Meirink laat zien dat effectieve professionalisering echter sterk lesgerelateerd moet zijn, ingebed in de lespraktijk, het liefst gecombineerd met eigen onderzoek, uitgevoerd samen met collega's. Zij bepleiten aandacht voor een leercultuur voor leraren, naast de leercultuur voor leerlingen in de school. Als we dat ter harte zouden nemen, zullen er veel minder slechte leraren overblijven om te ontslaan.

Ontslagrecht leraren is niet het probleem

(verschenen als ingezonden brief in NRC Handelsblad, 22 oktober 2010)


Ton van Haperen pleit voor een soepeler ontslagrecht voor leraren (Opinie & Debat, 16 oktober). Dat ontslagrecht is echter niet het probleem, maar het gebrek aan professionele cultuur in scholen. Leraren spreken elkaar onderling nauwelijks aan op resultaten en schuiven het onderpresteren van collega’s af op het management. Als jij je niet met mijn werk bemoeit, doe ik het niet met het jouwe, lijkt het adagium. Als je op die manier leraren twintig jaar hun gang laat gaan, wordt het inderdaad moeilijk om van ze af te komen.
Het is de kunst om slecht functionerende leraren zich tot betere leraren te laten ontwikkelen. Een eerste stap daartoe komt van de collega’s van die slechte leraar zelf. Weet hij zelf al dat hij een slechte leraar gevonden wordt? Wat kunnen wij als collega’s doen om hem verder te helpen? En heeft die ‘slechte’ collega misschien nog tips voor mij?
Een leraar die in een team moet samenwerken, waarin hij vrijwel dagelijks wordt aangesproken op de kwaliteit van zijn lessen, móét wel in beweging komen. Als hij dan, ondanks alle feedback en steun, merkt dat hij niet aan de standaard kan voldoen, zal hij uiteindelijk een andere baan gaan zoeken. En voor de minderheid die het dan nog zelf niet doorheeft, zal een ontslagprocedure alle kans van slagen hebben. Dan is er namelijk een dik dossier. Leraren hebben de sleutel tot beter functioneren van hun collega’s (en zichzelf) zelf in handen.

vrijdag 22 oktober 2010

Doorstroming

Vanavond de Ombudsman op tv, waarin aandacht voor de lage doorstroming van vmbo-ers naar de havo. PvdA-kamerlid Metin Celik schreef hierover samen met Achmed Marcouch in NRC Handelsblad een opiniestuk over dit probleem. Hij vindt dat ieder kind met genoeg intelligentie een havo-advies moet krijgen. Kathleen Ferrier heeft al aangekondigd dat de zeggenschap van ouders op dit punt vergroot moet worden.
Hoewel ik het probleem niet wil onderkennen, lijkt het me goed ook hierin de nuance te zoeken. Het lijkt nu alsof scholen de boosdoener zijn. In PO omdat ze niet genoeg slimme leerlingen uit achterstandsgezinnen een havo-advies te geven. In VO omdat ze te streng zijn om leerlingen uit een vmbo-klas door te laten stromen naar havo.
Een schooladvies in het PO is echter juist meer dan alleen een interpretatie van een intelligentietest. De leerkracht kijkt ook naar persoon, gedrag van de leerling, leerhouding, om wat zaken te neomen. Succes op school is meer afhankelijk van de situatie thuis dan van intelligentie alleen. Zeggenschap van ouders vergroten lijkt mij dan ook alleen een goed idee, als die ouders zelf ook betrokken zijn bij de schoolloopbaan van hun kind. Dat begint al vroeg door bijvoorbeeld voor te lezen, te helpen bij huiswerk, op te komen dagen bij ouderavonden op de basisonderwijs. Als je dat als ouder niet doet, moet je in klas 3 van het VO niet plotseling gaan klagen dat je kind geen kans krijgt.
In de tweede plaats wordt VO-scholen door dezelfde politiek het vuur na aan de schenen gelegd wat betreft leerresultaten. Dat betekent focus op eindexamencijfers en doorstroomresultaten. Laat nu net een doorstromende leerling van vmbo naar havo een heel grote risicofactor zijn in het naar beneden halen van die cijfers. Als het Celik en Ferrier dan zo'n dierbaar onderwerp is, laat ze dan gelijk ervoor zorgen dat die cijfers geen rol meer spelen in de beoordeling van de kwaliteit van een school.
Als je scholen aan de ene kant een duwtje in de rug geeft, en aan de andere kant een stok voor de knieën houdt, weet je zeker dat ze zullen struikelen. Ergens houdt het op wat je van scholen kunt vragen.

Wordt het nog wat met die ICT-revolutie?

Het was herfstvakantie deze week, dus kon ik wat meer tijd met de kinderen thuis doorbrengen. En zij met mij. En mijn iPhone. Dat apparaatje heb ik nu een maand of twee en het heeft me verbaasd hoe snel de kinderen dat apparaatje adopteerden. Jarenlang heb ik een BlackBerry gehad, maar daar keken ze niet naar om. Te saai, niet cool, niet intuïtief.
Maar ze azen op iedere kans om op die iPhone te spelen. Of er serieuze dingen mee te doen. Zo vond de jongste (van 6,5) zelf uit dat 'voetbal' en 'wk' in het zoekvak in Safari inderdaad informatie opleverde over het WK voetbal. De zoekopdracht 'Vilmpjusvanhetneederlatselvtal' leverde dan weer minder resultaten op. Maar verbazingwekkend vind ik de drive (motivatie?), het intuïtieve leren uit de feedback die ze van de iPhone krijgen en vooral gewoon de lol die het de kinderen oplevert om met zo'n apparaatje bezig te zijn.
Ik besloot de kids vanochtend wat te helpen en installeerde twee apps: Kopfnuss (rekenen) en English for Kids (taal). Beide kosten minder dan een kop koffie. Met buurjongen en grote zus werden vervolgens een uur lang allerlei taal- en rekenpuzzels opgelost. Toen vond ik dat hun 'schermtijd' er voor de ochtend wel weer op zat en zette ik ze aan de Lego.
De vraag waar ik nu mee blijf zitten is: als deze technologie beschikbaar is, voor relatief weinig geld, en zo gemakkelijk te gebruiken, waarom wordt daar in scholen niet veel meer mee gedaan? Waar blijft nou die echte ICT-revolutie? Ja, we hebben 'smartboards' in de klas. Maar dat is het equivalent van de paardenkoets die een motor ingebouwd kreeg. Het blijft allemaal zeer 'teacher-centered' en lineair-methode-gestuurd. Volgens mij is de tijd rijp om leerlingen meer intuïtief, sociaal, en zelfgestuurd te laten leren--wat ze zelf het liefst doen, als ze daarvoor de kans krijgen. De kinderen zijn er klaar voor, en de technologie ondertussen ook. Waar wachten we nog op?
En trouwens, mocht u zich zorgen maken, gisteren hebben we ook gewoon lekker buiten gevoetbald...

vrijdag 15 oktober 2010

Praktijkgericht onderzoek

Deze week nam ik deel aan een bijeenkomst van het informele netwerk 'Praktijkgericht onderzoek'. Hierin zijn op initiatief van de VO-raad (project Innovatie) een groot aantal onderzoekers bij elkaar gebracht om met elkaar uit te wisselen over hoe we de kwaliteit van praktijkgericht onderzoek zo hoog mogelijk kunnen houden. Inmiddels is er ook een website in de lucht.
Het is belangrijk, omdat de afgelopen jaren het onderzoek op universiteiten zich steeds meer is gaan richten op fundamentele vragen, en verder van de praktijk is af komen te staan. Het 'gat' is vooral opgevuld door lectoren, en onderzoekende docenten zelf. Naast natuurlijk de al bestaande instellingen zoals de LPC, het kortlopend onderwijsonderzoek en mijn eigen club, het Ruud de Moorcentrum.
Wat onderscheidt praktijkgericht onderzoek nu van 'gewoon' onderzoek? Wat mij betreft is dat vooral de directe opbrengst van het onderzoek voor de deelnemers. Onderzoeksvraag en -aanpak worden ontwikkeld samen met de leraren die onderzocht worden, of soms zelfs mee het onderzoek uitvoeren. Tegelijk blijft het van belang om ook de algemene opbrengst, voor andere scholen, in de gaten te houden.
Het is een misverstand dat praktijkgericht onderzoek altijd kwalitatief en niet-generaliseerbaar moet zijn.  Praktijkgericht onderzoek is misschien nog wel lastiger uit te voeren, dan academisch onderzoek, omdat dezelfde kwaliteitscriteria gelden, en er meerdere belangen gediend moeten worden. Aan de andere kant biedt het veel meer kansen om de ontwikkeling van schoolorganisatie en individuele leraren rechtstreeks te ondersteunen en stimuleren. Hopelijk wordt de website een succes en blijft deze club praktijkonderzoekers elkaar scherp houden.

maandag 4 oktober 2010

Waiting for Superman

In de lijn van 'An Inconvenient Truth', maakte Davis Guggenheim de documentaire 'Waiting for "Superman"', over het falende schoolsysteem in de Verenigde Staten. Gezien de eerste reacties zou deze film wel eens dezelfde impact kunnen hebben als Al Gore's epos.
Volgens The Economist krijgen vooral de vakbonden ervan langs in de film. Zij zouden te veel de rechten van zittende leraren beschermen, ten koste van de noodzakelijke vernieuwingen om goed onderwijs voor alle Amerikaanse kinderen te realiseren. Slechte leraren kunnen nauwelijks ontslagen worden en loon naar prestatie is al helemaal onbespreekbaar.
In Nederland stelt de nieuwe regering ook prestatiebeloning voor. Hoewel dat waarschijnlijk zeker ook niet de oplossing is, legt het wel de vinger op de zere plek. Een voor de hand liggend resultaat uit onderzoek namelijk, waar naar mijn idee te weinig rekening mee wordt gehouden, is dat de verschillen in kwaliteit van onderwijs binnen scholen veel groter zijn, dan de verschillen in kwaliteit tussen scholen. Met andere woorden: het succes van de leerling is meer afhankelijk van de leraar die hij voor zijn neus krijgt dan van de school waar hij op zit. Een gegeven dat iedere ouder uit persoonlijke ervaring kan bevestigen.
Alles op kwaliteit van de leraar inzetten, is het devies. En als prestatiebeloning dan niet de oplossing is, zou selecteren aan de poort van de lerarenopleiding wel eens een goed idee kunnen. Want daarvan is aangetoond dat het wel werkt.  Een motivatie-assessment is daarvoor een eerste begin.