maandag 20 september 2010

Faciliteiten

Met inlezen ben ik voorlopig nog niet klaar, zolang ik nog zoveel interessante literatuur blijf tegenkomen. Vanochtend in de trein heb ik me verdiept in een nog te verschijnen artikel van collega Arnoud Evers (en wat collega's), over de organisatiefactoren die de professionele ontwikkeling van docenten bevorderen. Evers was vooral geïnteresseerd of er verschillen waren tussen formele leeractiviteiten en informele leeractiviteiten.
Wat betreft organisatiefactoren maakt Evers onderscheid tussen structuur-factoren (te weten facilitering en voorzieningen); en sociaal-psychologische factoren (te weten steun van de leidinggevende, van de collega's, en aandacht van de leidinggevende voor loopbaanontwikkeling).
In een steekproef onder 150 docenten van verschillende VO-scholen in Limburg vond Evers vooral een verband tussen de facilitering van docenten en de mate waarin zij zich professioneel ontwikkelden. Aan de ene kant is dat nogal een open deur. Het ligt voor de hand, dat als leraren geen tijd krijgen voor nascholing of deelname aan leernetwerken, zij zich ook niet kunnen ontwikkelen. Juist het kunnen vrijmaken van de tijd (die in principe iedere leraar in zijn of haar taakstelling beschikbaar heeft) is echter vaak het probleem. Eens te meer wordt hiermee bevestigd dat dit een van de belangrijkste aangrijpingspunten is om de professionele ontwikkeling van leraren te stimuleren.
Wat betreft formeel en informeel leren, vond Evers dat vooral de (sociale) steun van de leidinggevende van belang is om deel te nemen aan (informele)  leernetwerken. Omdat leernetwerken gezien worden als een van de krachtigste manieren voor leraren om zich te ontwikkelen, is dat een belangrijke vaststelling.
Het interessante is dat veel leidinggevenden zelf ook (of 'wel'?) participeren in leernetwerken, of vaak na een gevolgde (formele) opleiding een intervisiegroep vormen. Zij zelf hebben ervaren hoe belangrijk een goed leernetwerk kan zijn voor hun eigen ontwikkeling. Hopelijk werkt dat door in de mogelijkheden en steun die ze voor die netwerken aan leraren geven.

maandag 13 september 2010

Betekenisvol

Soms vind je zomaar een interessant onderzoeksresultaat. Onlangs wisselde ik van baan en in zo’n eerste periode is het vooral veel inlezen en praten. Vooral dat eerste bevalt prima. Praten deed ik in mijn vorige baan ook genoeg, maar lezen veel te weinig. Ondanks alle multimediale beschikbaarheid van informatie blijft een lineaire tekst voor mij altijd nog een van de meest betrouwbare en effectieve manieren om kennis op te doen. Zal wel iets met leerstrategieën te maken hebben.

Nu net daarover ging (onder andere) het promotieonderzoek van mijn collega-sinds-twee-weken Janneke Hooijer. Zij onderzocht de leerstrategieën van eerstejaars bedrijfskundestudenten aan de Universiteit van Tilburg.

Ze bevroeg de studenten door middel van een vragenlijst naar hun leerstrategie en keek naar het verschil in studieresultaat. Ze onderscheidt drie strategieën: oppervlakkig leren (zoveel mogelijk uit je hoofd leren), strategisch leren (opletten wat de docent belangrijk vindt en een planning maken), en ‘deep learning’, ofwel betekenisvol leren. Dat laatste klinkt het mooist en het is niet verwonderlijk dat het daarom meestal als de ‘beste’ leerstrategie wordt beschouwd. Studenten zouden met die leerstrategie, waarmee ze zoeken naar diepere betekenissen en dwarsverbanden, de beste resultaten bereiken.

Hooijer vond wat anders. ‘Strategisch’ leren was in haar studie namelijk de andere twee strategieën de baas: het leidde voor de studenten tot de beste resultaten. Hooijer merkt wel op dat betekenisvol leren nog steeds heel waardevol kan zijn, maar dat het voor studieresultaat waarop studenten afgerekend worden, een verstandig idee lijkt om in ieder geval te weten waar de toetsvragen over zullen gaan en op welke criteria papers en verslagen beoordeeld worden. Dat is misschien geen fijn nieuws voor de aanhangers van probleemgestuurd-, natuurlijk- en competentiegericht leren, maar in ieder geval voor eerstejaars studenten bedrijfskunde heel relevant om te weten.

donderdag 9 september 2010

Rituelen

Het jaarlijkse OECD-rapport over het onderwijs is weer verschenen. Iedere partij leest hierin wat voor hem of haar het beste uitkomt. Wat me het meest opvalt, is dat vrijwel iedereen het alleen maar over geld heeft. Verdienen Nederlandse leraren wel genoeg? Nee, volgens de vakbond: ze werken de meeste uren van iedereen. Ja, volgens de werkgevers: ze verdienen ruim meer dan het OECD-gemiddelde. Je kunt een geeuw nauwelijks onderdrukken als je het leest.
Waar werkgevers en werknemers elkaar in vinden, is de mening dat er te weinig geïnvesteerd wordt in het Nederlandse onderwijs. De bal is dan snel bij de overheid neer gelegd. Dit klopt om twee redenen niet.
In de eerste plaats levert het Nederlandse onderwijs heel aardige resultaten voor relatief lage investeringen. Meer mensen hebben tenminste voortgezet onderwijs gevolgd; en steeds meer mensen ook hoger onderwijs. Vrijwel alle leerlingen uit havo en vwo gaan verder studeren (dat is in lang niet alle landen het geval), meer studenten dan gemiddeld halen een masterdiploma en minder studenten vallen onderweg af.
In de tweede plaats liggen de onderwijsuitgaven van Nederland redelijk rond het OECD-gemiddelde. Als Nederland al achterblijft, dan zijn het vooral de private investeringen die hier een stuk lager zijn, met name in het hoger onderwijs. Ouders en studenten zijn gewend dat de staat voor hen zorgt van peuterspeelzaal tot masterdiploma. Dat is in landen als de VS, het VK, Canada en Korea wel anders.
In Nederland wordt veel geld verspild aan een inkomensonafhankelijke subsidie in de vorm van een basisbeurs. Die komt grotendeels terecht bij jonge mensen die ouders hebben met een gemiddeld hoger inkomen, en die zelf later ook een betere kans op een hoger inkomen hebben. Dat is pas geldverspilling. Het gaat dus niet om meer, maar vooral om slimmer investeren. Als nou de politiek gemiddeld ook nog hoger opgeleid is dan in de rest van de OECD-landen...   

maandag 6 september 2010

Distributed leadership: gespreid of gedeeld?

Hester Hulpia (Universiteit Gent) schreef in 2009 een interessant artikel (betaalde link) over het concept 'distributed leadership'. Dat begrip krijgt steeds meer aandacht, zowel in wetenschappelijk onderzoek als in de onderwijspraktijk. Tegelijk is het een lastig begrip: wat wordt er nu precies mee bedoeld en wat kunnen schoolleiders ermee?
Hulpia onderzocht de relatie tussen de mate waarin leiderschap 'gedeeld' is, en de jobsatisfactie (de eigen tevredenheid met het werk) van schoolleiders. Leiderschap deelde ze op in verschillende functies en kenmerken. Het blijkt dat de 'ondersteuningsfunctie' die schoolleiders hebben naar leraren het meest 'gedeeld' is tussen verschillende leidinggevenden in een school. De functie 'supervisie' echter is het meest gecentraliseerd. Tevens blijkt dat schoolleiders die in een coherent (management)team werken, het meest tevreden zijn over hun werk.
De mate waarin leraren participeren in besluitvorming heeft geen effect op de jobsatisfactie van schoolleiders. Hieruit concludeert Hulpia dat 'distributed leadership' nog niet de panacee is om alle leiderschapsproblemen op te lossen, maar dat wel aangetoond is dat het belangrijk is dat schoolleiders goed kunnen samenwerken, en een open discussie kunnen aangaan in hun team over gezamenlijke doelen en rolverdeling.
Hulpia heeft een interessant en bruikbaar onderzoek gedaan, door het lastige begrip leiderschap te concretiseren in een aantal aspecten. Het is mooi om bevestigd te zien wat het belang van samenwerking binnen een team is, ook tussen leidinggevenden onderling.
Het begrip 'distributed' vat zij in haar onderzoek voornamelijk op als 'gedeeld', en daarmee als iets dat je kunt 'implementeren.' Daar zet ik vraagtekens bij. Jim Spillane, die de term 'distributed leadership' als eerste gebruikte, stelt uitdrukkelijk dat 'distributed leadership' vooral een raamwerk is, een andere manier van kijken naar leiderschap. Het is daarom beter van 'gespreid leiderschap' te spreken dan van 'gedeeld'.
Dat 'distributed leadership' niet de oplossing is, zoals Hulpia stelt, klopt, omdat distributed leadership geen oplossing pretendeert te zijn. Het gaat erom dat je anders gaat kijken. De aanbevelingen die zij doet, verwijzen daar ook weer naar: schoolleiders moeten meer samenwerken, en open gesprekken voeren.
Maar die schoolleiders hebben juist behoefte aan onderzoek dat laat zien hoe dat samenwerken eruit ziet, in de dagelijkse praktijk. En hoe die open gesprekken dan gevoerd worden. En op welke manier er dan een wisselwerking ontstaat, waarin initiatieven van 'leiders' en 'volgers' elkaar opvolgen, en gecombineerd raken. Welke omstandigheden zorgen voor meer succesvolle initiatieven, wat moet de formele leider daarvoor doen? Daar willen we graag meer van weten. De uitdaging is om het 'distributed leadership'-raamwerk verder te concretiseren om juist die processen in beeld te krijgen.

vrijdag 3 september 2010

Bijzonder onderwijs onder druk

De Economist bericht over de inspanningen die in het Verenigd Koninkrijk worden geleverd om meer schoolkeuze voor ouders te realiseren. Het openbare onderwijs is daar ingedeeld in LEA's, een soort lokale openbare onderwijsbesturen, die het onderwijsbeleid en de aanstelling van leraren bepalen. Scholen en ouders zijn op basis van postcodes tot elkaar veroordeeld: ouders kunnen niet naar een andere school, scholen kunnen leerlingen niet weigeren.
Wil je als ouder een andere school voor je kind, en kun je een (peperdure) priveschool niet betalen, dan was tot nu toe de enige mogelijkheid om je aan te melden bij een religieuze school. Die scholen zijn er echter maar weinig, en ouders dienen aan te tonen dat ze actief bij de betreffende religie betrokken zijn.
Om deze situatie te doorbreken, experimenteert de Britse overheid al een tijdje met 'academy's'. Dit zijn scholen die meer vrijheid genieten dan gewone scholen, met name waar het gaat om het aannemen en ontslaan van leraren. Die academy's doen het nog niet altijd even goed en de vraag is of het experiment wordt doorgezet.
Het is soms goed dit soort berichten te lezen, omdat we dan weer beseffen dat de vrijheid van het kiezen van onderwijs door ouders, en het zelf kunnen aannemen en ontslaan van leraren door scholen voor ons vanzelfsprekendheden zijn, waar in andere landen met argwaan, maar ook jaloezie naar gekeken wordt. Er zijn partijen die van plan zijn om het bijzonder onderwijs af te schaffen. Je hoeft maar even de Noordzee over te steken om te kijken wat daar het resultaat van zal zijn.
En waarom leerlingen op bijzondere scholen het beter doen? Zou het niet zo kunnen zijn, dat als ouders bewuster een school voor hun kinderen kiezen, dat ze dan ook meer betrokken zijn bij de vorderingen die hun kinderen maken?