zondag 27 juni 2010

Held in hun eigen verhaal

Door al het voetbal zou je het bijna vergeten, maar volgende week zaterdag alweer start de Tour de France. Uit sportief oogpunt lijkt die ronde een onbegrijpelijke onderneming. Zeker 190 van de 210 renners die aan de start verschijnen weten zich bij voorbaat kansloos, maar zullen niettemin drie weken lang, dag in, dag uit, 5 tot 7 uur op de fiets doorbrengen in helse omstandigheden. Waarom doen zij dat? En waarom vinden wij dat interessant? En waarom beleven wij dat wielrennen zoveel anders dan dat WK voetbal?

Waarschijnlijk omdat ik zelf maar een matige voetballiefhebber ben, heb ik nooit goed begrepen hoe er over twee keer drie kwartier voetbal een veelvoud aan televisietijd gevuld kan worden. Voor- en nabeschouwing, commentaren, analysten, interviews met de coach, spelers, tegenstanders en deskundigen: het spelletje is een onuitputtelijke bron van nieuws, meningen en gedachtenwisselingen.
Hoe anders gaat dat met een gemiddelde Touretappe. Zo'n helletocht van 5 tot soms wel 7 uur krijgt een samenvatting van 2 minuten, misschien 3 als het een bijzonder spannende bergetappe was. Een interviewtje met een ploegleider, soms zelfs met een echte renner (als het een spraakzaam type is tenminste), nog een helikopterbeeld van het landschap en dat was het dan. Persconferenties? Alleen als ze over doping gaan. Nabeschouwingen? Mart Smeets moet er al een gast uit een andere branche bijhalen, wil hij een gesprek tot de noodzakelijke drie kwartier kunnen oprekken. Met wielrenners alleen lukt dat bijna niet. Hoe komt dat toch?

Nu heb ik de afgelopen weken meer TV-gepraat over voetbal gezien dan ik normaal gesproken consumeer, dus heb ik eens goed opgelet. En wat me in al dat gepraat opviel, is dat al die mensen niet mét, maar vooral tégen elkaar praten. Er worden voortdurend meningen, opvattingen en afgevangen vliegen de lucht in geslingerd. Het lijkt wel wat op die verjaardagen waarbij iedereen in een grote kring voortdurend door elkaar heen zit te praten. Degene die het meest ad rem is, of de beste grappen heeft, wint de strijd om aandacht van de anderen. Tijdens de verjaardag, net zoals tijdens de voetbalnabeschouwing, loert iedere deelnemer op zijn kans om die ene grap of opmerking te lanceren, die het beslissende punt in de wedstrijd scoort.
Daarin lijkt dat nabeschouwen op voetballen zelf: een goede spits kan zich heel rustig houden, je ziet hem de hele wedstrijd niet, tot hij die ene supergoal maakt. Sterker nog: hij kan 80 minuten op de bank langs de kant zitten, om als 'gouden wissel' in de laatste 10 minuten nog even de wedstrijd te beslissen. Iedereen vindt het dan volstrekt logisch dat hij de 'man of the match' is, en niet zijn collega's die zich wel de volle 90 minuten in het zweet gewerkt hebben.

Wielrennen is anders. Wielrenners fietsen voornamelijk omdat ze van het fietsen zelf houden. Uren op de fiets, weg van de wereld, je gedachten gereduceerd tot een zwart puntje en niets anders om je druk om te maken dan de strook asfalt voor je en het doseren van je krachten om op tijd de finish te halen. Iedere wielrenner voert zo een eigen strijd, en is held in zijn eigen verhaal.
Wie de wedstrijd wint, is minder belangrijk, omdat de meesten bij voorbaat weten dat ze geen kans maken op de bloemen. Onderweg zijn wielrenners daarom vooral elkaars bondgenoot. Pas een paar kilometer voor de meet worden ze weer concurrenten, omdat dat er nu eenmaal bijhoort.
Wielrenners zijn achteraf slechts met moeite tot enige nabeschouwing te bewegen. Zoetemelks standaardantwoord op de meeste vragen was: "Pfff..." En dat zegt het wel zo'n beetje. Niet dat ze het niet meer weten: de meeste renners weten nog precies in welke bocht ze uit welk wiel moesten lossen, bij welk plaatsnaambordje een demarrage geplaatst werd, maar ze zien het nut niet om dat allemaal nog eens op te lepelen. En in korte quotes voor de camera komt het ook niet zo flitsend over: "Ik voelde dat ik sterk was, dus ik dacht, kom, ik trap door." Pas in de langere reportage, in de brede context van de etappe, het ploegenspel, de voorbereiding, wordt duidelijk welke heldendaad er verricht is. Niet voor niets is wielrennen ontstaan vanuit de behoefte van kranten aan lange, aansprekende sportverhalen.

Als voetbal de sport van de gevatte opmerking is, dan is wielrennen daarom de sport van het verhaal. En een goed verhaal, daar moet je de tijd voor nemen. Dat moet je van begin tot eind meemaken. Renners sluiten tijdelijke combines in ontsnappingen, verraden elkaar in beklimmingen en bij tussensprints, en strijden uiteindelijk ieder tegen hun zwaarste tegenstander: zichzelf.
Gedurende de vele uren op de fiets verdraait langzaam de kaleidoscoop om telkens een ander intrigerend patroon te laten zien. Dat daar een einde aan moet komen, is eerder een noodzakelijk kwaad, dan een essentieel onderdeel.
De mooiste wielerfoto's zijn ook vrijwel nooit die van een aankomst. Een wielrenner die zijn handen in de lucht steekt? Het spreekt zelden tot de verbeelding. Wel Coppi en Bartali, die schouder aan schouder een Alp bedwingen. Of Henny Kuiper in de berm naast een fiets met een lekke band. Armstrong die nog eens omkijkt voor hij bij Ullrich wegdemarreert. Dat zijn de foto's die het verhaal van de wedstrijd vertellen.
Hoe anders is dat met voetbal. De mooiste foto is daar die van de goal, het moment van scoren, of eventueel het moment vlak daarna. De totale euforie, het ontploffende stadion. Filmpjes op Youtube zijn altijd die van goals. Tik eens 'Bergkamp 1998' in, eventueel met 'Jack van Gelder' erbij, en je begrijpt wat ik bedoel. Die momenten kunnen niet vaak genoeg herhaald worden, ieder geeft z'n mening erover, maar een verhaal dat je nog eens navertelt? Je kunt het proberen, maar je bent snel klaar.
Een voetballer die een slechte wedstrijd speelt, heeft een verloren avond. Nul-nul, of erger nog: verliezen, het levert hem niets dan hoon of op z'n best leedvermaak op. Op z'n minst één spetterende actie moet hij maken, desnoods een afgekeurd doelpunt, een onbegrepen buitenspel, of hij kan in de 'mixed zone' de pers niet met goed fatsoen onder ogen komen. Alleen een goede wedstrijd geeft 'm de bravoure om de scherpe vragen van de pers te pareren met een onderkoelde beschrijving van zijn succesmomenten uit de wedstrijd.
Terwijl het beste verhaal van de Tour van 2009 kwam van een van de minst succesvolle renners. Kenny van Hummel werd vorig jaar de held door in aantal zware bergetappes als laatste over de streep te rollen, telkens net binnen de tijd. Uiteindelijk verloor hij de strijd tegen zichzelf, door oververmoeid, en met te veel risico een bocht in te sturen, en ten val te komen. Maar in deze korte synopsis wordt de werkelijke dramatiek volstrekt niet zichtbaar en voelbaar. Daarvoor had je erbij moeten zijn, de etappes moeten volgen op de radio, live op tv, of in de verslagen in de krant. Misschien maakt iemand nog eens een mooie film, of schrijft er een goed boek over. Alleen dan, door stap voor stap de details in je op te nemen, komt de tragiek weer tot leven en de emotie voelbaar.
Dus deze zomer zit ik, als het even kan, weer 's middags voor de tv, om het verhaal van de etappe mee te maken, terwijl het zich ontvouwt. Hoe in de koers verschillende verhaallijnen door elkaar lopen, hoofdpersonen en bijfiguren opkomen en weer van het toneel verdwijnen, dat is het ware wielrennen. En al dat geklets achteraf laat ik dan met alle liefde aan de voetballiefhebbers over. Ik lees later het boek wel.

donderdag 24 juni 2010

Dronkers en de gemengde school

De inschrijftermijn voor de tweede ronde van Onderwijsbewijs is net gesloten. Na de 19 miljoen uit 2008 stopt de overheid nog eens 10 miljoen in experimenteel onderzoek naar 'wat werkt' in het onderwijs. De verwachtingen zijn hooggespannen: eindelijk komen we los van de argumenten die met name op emotie gebaseerd zijn, en weten we ook op grond van zo zuiver mogelijke waarneming welke aanpakken betere of slechtere onderwijsresultaten opleveren.
Je zou verwachten dat 'het onderwijsveld' (scholen, overheid, begeleiders, ouders, etc.) zit te springen om echte resultaten, harde bewijzen, en niet het zoveelste ideologisch geïnduceerde praatje (meestal voor eigen parochie).
De felle reacties op Jaap Dronkers' onderzoek naar effecten van klassensamenstelling op leerlingresultaten verbazen mij daarom nogal. We trappen met zijn allen met open ogen weer in de val: we willen veel te graag een bepááld resultaat uit zulk onderzoek zien. En als resultaten daar niet bij aansluiten, dan klopt het onderzoek niet, of erger nog: dan is de onderzoeker een charlatan met een dubbele agenda.
Wetenschap bestaat echter bij uitstek uit het krijgen van resultaten die je niet verwacht. Alleen dan word je gedwongen je theorieën en hypothesen opnieuw tegen het licht te houden. En nog beter te kijken wat er nu eigenlijk aan de hand is. Dat is altijd moeilijk, en soms zelfs pijnlijk, als je je eigen stokpaardjes daarvoor moet opgeven.
Wat we dus moeten doen, is niet de onderzoeker afserveren, maar zelf nagaan hoe het kan dat die onderzoeker deze gegevens vindt. Een heel valide argument is bijvoorbeeld dat 'leesvaardigheid van 15 jarigen' een nogal beperkte indicator voor 'onderwijsresultaat' is. Culturele en sportieve vorming hoor daar ook bij, evenals leren samenwerken, persoonlijke ontplooiing en voor mijn part groeien in zelfvertrouwen. Maar hoeveel scholen (en ouders, beleidsmakers, media) doen nu werkelijk zelf hun best om díe vormen van 'resultaat' inzichtelijk te maken? Zijn niet vrijwel alle scholen vooral gericht op citoscores (PO), examencijfers en slagingspercentages (VO)? En welke boodschap zenden ze daarmee uit? 'Kennismaken met andere culturen' is allemaal erg leuk, maar je toetsresultaten op wiskunde, Engels, Nederlands, dat is waar het echt om gaat. Hoeveel verschilt die boodschap van het uitgangspunt dat Dronkers voor zijn onderzoek heeft genomen?
Zolang leraren, leidinggevenden, beleidsmakers en journalisten nog niet aan die zelfreflectie toe zijn, vrees ik dat die tientallen miljoenen voor Onderwijsbewijs weggegooid geld zullen zijn.

zaterdag 12 juni 2010

Voetbal en onderwijstijd

Op de meeste scholen in Nederland, van PO tot MBO, en waarom zou het in hogescholen en op universiteiten anders zijn, wordt bij wedstrijden van het Nederlands elftal op het WK niet of nauwelijks lesgegeven. Het doet wat vreemd aan, gelet op de strenge regels rondom onderwijstijd van de afgelopen jaren. Scholen die voet bij stuk houden en gewoon les willen geven, bekopen dit met een boel ellende, waardoor er van lesgeven waarschijnlijk alsnog weinig terechtkomt. De vraag is waarom de leerlingen het blijkbaar volstrekt normaal vinden dat lessen zouden moeten wijken voor voetbal.

Als je wat beter kijkt, is dat niet zo heel vreemd. Al heel jong leren peuters dat hun vaste Sesamstraat-moment op tv moet wijken voor schaatsen, voetbal of Olympische spelen. Als ze iets groter zijn, zien ze op tv dat hele stadswijken worden afgezet als er een voetbalwedstrijd gespeeld moet worden. In het nieuws kunnen ze zien hoe met miljoenen overheidsgeld zogenaamd ‘noodlijdende’ (je leest nooit ‘slecht beheerde’ of ‘door te hoge spelerssalarissen en te dure stadions leeggezogen’) voetbalclubs overeind worden gehouden. En dat de Nederlandse volwassene het volstrekt normaal vindt dat zijn baas regelt dat er tijdens werktijd ook voetbal gekeken kan worden.
En dan verwachten we van leerlingen dat ze braaf lessen volgen? Als we leerlingen bij willen brengen dat voetbal slechts bijzaak is, zullen we daar zelf ook naar moeten handelen. Gelukkig zijn er scholen die het hoofd koel houden.