zaterdag 27 maart 2010

Investeren in onderwijs: wie betaalt de rekening?


Een tweet van @JaapPeters attendeerde me op een grafiekje in de Telegraaf, dat laat zien hoe de relatieve uitgaven voor onderwijs vanaf de jaren zeventig stelselmatig zijn gedaald. Jaap Peters' reactie was een licht cynisch 'hoezo kenniseconomie'?
De relatie tussen lage investeringen en slecht onderwijs lijkt voor de hand te liggen. Net zoals een vermeend immorele bestuurder vormt ook een krenterige overheid een makkelijke zondebok voor allerhande problemen in het onderwijs. Als 'ze' in Den Haag hun portemonnee maar open zouden trekken, was de ellende gauw voorbij, is de gedachte.
Maar uitgaven alleen zeggen niet zoveel, het gaat ook om wat de opbrengst ervan is. Als we daar naar kijken heeft Nederland al jaren de hoge Pisa-scores tegen gemiddelde onderwijsinvesteringen. Goed beschouwd krijgen we dus een topproduct tegen een acceptabele prijs, iets wat ik elders ook al eens betoogd heb.
We kunnen ook kijken naar wat de bron van de onderwijsuitgaven is. Dan blijkt dat in Nederland de onderwijsbestedingen vooral publieke uitgaven zijn: de overheid betaalt het grootste deel van de rekening, burgers en bedrijven vrijwel niets. Terwijl in de VS bijvoorbeeld de publieke uitgaven lager zijn, maar de private uitgaven aan onderwijs stukken hoger. Dat levert de VS misschien gemiddeld lagere onderwijsprestaties, maar uiteindelijk wel de meest excellente instellingen voor hoger onderwijs.
De kunst lijkt dus te zijn daar te investeren, waar het meeste rendement op onderwijsresultaat wordt verwacht. En dan blijkt dat in Nederland er niet zoveel rendement meer te verwachten is van het verder verhogen van Pisa-scores. Willen we het de resultaten van het onderwijs verbeteren, dan hoeft er blijkbaar niet zozeer meer in het onderwijs geïnvesteerd worden, als wel anders (slimmer?). En als er al meer geld bij kan komen, lijkt het niet onredelijk hiervoor eerder meer van burgers en bedrijven te vragen, dan om de rekening maar weer bij de overheid neer te leggen.

dinsdag 23 maart 2010

This blog has moved


This blog is now located at http://onderwijsenmanagement.blogspot.com/.
You will be automatically redirected in 30 seconds, or you may click here.

For feed subscribers, please update your feed subscriptions to
http://onderwijsenmanagement.blogspot.com/feeds/posts/default.

Besturen in tijden van rancune

Zit nog wat na te kauwen op de Zembla-uitzending van afgelopen zondag. Bert Molenkamp, bestuurder van Amarantis, de scholengroep waar ROC ASA deel van is, kreeg het zwaar te verduren daarna op internet. Op Twitter kreeg hij zelfs een hashtag, een twijfelachtige eer in dit geval. Drie opmerkingen.
Eén: het is best opmerkelijk dat Molenkamp zich heeft laten interviewen. Heel veel bestuurders mengen zich namelijk nauwelijks in het publieke debat. Reden? Het is toch al op eieren lopen in het balanceren van belangen tussen docenten, ouders, leerlingen, toezichthouders, inspectie, overheid... Een verkeerd begrepen opmerking doet dan al snel meer kwaad dan goed.
Twee: waarom vraagt niemand zich af wie er ooit op het idee gekomen is om de mbo's te verzelfstandigen, te laten fuseren en tegelijk de budgetten te bevriezen (de overheid zelf, in de jaren negentig, dat leek een stuk goedkoper en tot minder kwaliteitsverschillen te leiden), of wie voor het competentiegerichte leren heeft gepleit (het bedrijfsleven, in opeenvolgende commissies-Wagner en -Veen, zie ook het altijd goed geïnformeerde weblog van BON).
Nu het allemaal tegenvalt, de leerlingpopulatie veranderd blijkt, fusies toch niet tot het gehoopte wonder in de vorm van besparing én kwaliteitsverbetering lijken te leiden, docentsalarissen niet eeuwig afgeknepen blijken te kunnen worden (al in de jaren '80 ook in Den Haag bedacht), nu hebben de huidige bestuurders het plotseling gedaan.
Drie: begrijpelijk dat Molenkamp die voorlichter meenam. Alleen was dat achteraf gezien toch minder slim. Zij begon zich namelijk met het gesprek te bemoeien op een cruciaal moment. Zo werd het interview gereduceerd tot een oefening in het oppoetsen van het ASA-blazoen. Wat niet nodig was. Molenkamp had hier zichzelf uit kunnen redden: hij had met die interviewer naar die leerling toe moeten gaan. En daar aan tafel die leerling moeten vragen wat hem dwarszat, en dan zijn tong eraf bijten om niet in de verdediging te schieten. In zo'n gesprek had hij veel meer kunnen bereiken voor het imago van ASA, de onderwijskwaliteit, en niet in het minst die leerling.
Gewoon, door van mens tot mens begrip te tonen. Dat is ook een manier om met rancune om te gaan.