maandag 26 januari 2009

Oh en kunt u ook die risicojongeren even regelen?

Met respect voor Pieter Winsemius, toch zo’n beetje de enige VVD-er die in de jaren '80 al vond dat het milieuprobleem serieus genomen moest worden, met dit WRR-rapport slaat hij de plank mis. Natuurlijk is het van groot belang dat er zo vroeg mogelijk wordt bijgestuurd als de maatschappelijke carrière van jongeren, risico- of niet, dreigt mis te lopen. Maar of scholen dan met ‘doorzettingsmacht’ gedwongen moeten worden een minimaal aantal risicoleerlingen op te nemen?
Twee systeemkenmerken in het Nederlandse onderwijsstelsel werken sterk in het nadeel van dit plan. In de eerste plaats de vroege selectie naar schooltype. Ieder gymnasium kan door hoge eisen te stellen aan resultaten bepaalde leerlingen laten afstromen naar ‘gewoon’ vwo. Net zoals een vwo dat kan doen naar de havo, enzovoort. Totdat leerlingen in het vmbo-bk met lwoo terechtkomen, daar houdt het doorschuiven op. Onder die scholen is nu al sprake van scholen die vooral ‘doen’ in risicoleerlingen. De facto bestaat het model van ‘plusscholen’ dus al. Geef die scholen dan nu onmiddellijk meer geld, zou ik zeggen.
In de tweede plaats worden scholen nu ‘afgerekend’ op resultaten: hoe meer leerlingen doorstromen naar een diploma met zo min mogelijk oponthoud, hoe beter de school het doet. Veel tijd besteden aan problemen van leerlingen, ze bijvoorbeeld een jaartje langer over hun opleiding laten doen om ze daarna kansrijker naar een vervolgopleiding te laten gaan, werkt in het nadeel van een school. Wil je werkelijk dat scholen (nog) meer werk maken van risicoleerlingen, dan zal het resultaat van die inspanning beter zichtbaar moeten worden gemaakt.

zondag 4 januari 2009

Afrekening

De afgelopen weken had ik eindelijk tijd om Suezkade uit te lezen. Hoewel ik Knielen op een bed violen heb overgeslagen, heb ik grote bewondering voor het oeuvre van Jan Siebelink, met De overkant van de rivier als persoonlijk hoogtepunt.
Met Suezkade weet ik het echter niet. Onmiskenbaar is er een groot verteller aan het woord, die zorgvuldig en beheerst put uit een zangerig vocabulaire. Vakkundig zijn de verschillende lijnen en motieven in elkaar gevlochten: de moeder van de hoofdpersoon, de problemen van zijn onmogelijke liefde, het dagelijkse reilen en zeilen op een wat kakkerig gymnasium in licht verval. Toch klopt er iets niet.
De roman speelt in de nieuwe eeuw, waar mobieltjes en het nieuwe leren hun intrede hebben gedaan. Leraren en rector gaan echter met elkaar om alsof het 1977 is. Hier en daar lijkt het op een ode aan het oude onderwijs, toen Franse gedichten nog uit het hoofd werden geleerd en onregelmatige werkwoorden klassikaal werden opgedreund. Aan de andere kant staan er beschamende en pijnlijke beschrijvingen in van de willekeur, arrogantie en oncollegialiteit die met de zegen van de rector en zijn conrectoren ruim baan kreeg (en krijgt) tijdens uiterst onvruchtbare vergaderingen waar het leerlingenbelang totaal uit het zicht verdwenen lijkt.
Het lijkt Siebelink niet te deren. Je vraagt je af wiens belang hij met het boek heeft willen dienen. Mijn indruk: toch vooral zijn eigen belang, als afrekening met een persoonlijk (blijkbaar) onvoltooid verleden. Zo verpest de bittere wraak een potentieel mooie ode aan het leraarschap.